Lopende projecten

 

Sector

  • Basisonderwijs

Vakgebied

  • Nederlands
  • Fries

Vakinhoud

  • Mondelinge taalvaardigheid

Leerplankundig thema

  • Onderzoeken
  • 21e eeuwse vaardigheden
  • Onderzoekend en ontwerpend leren

Trefwoorden

  • taalgebruik

Ruimte voor leren

16-9-2015

​Walsweer, A. P. (2015) Ruimte voor leren. Een etnografisch onderzoek naar het verloop van een interventie gericht op versterking van het taalgebruik in een knowledge building environment op kleine Friese basisscholen. (proefschrift) Groningen: Rijkuniversiteit Groningen.

ISBN

978-90-367-8049-0

Kleine scholen, door buitenstaanders meestal als kwetsbaar en potentieel zwak afgeschilderd, blijken in de praktijk een zeer krachtige leeromgeving te kunnen bieden. Dit blijkt uit promotieonderzoek van Albert Walsweer, onderzoeker aan de NHL. In een interventie bij vijf kleine Friese scholen is het werken in combinatieklassen (met voor iedere klas aparte programma's) doorbroken, en hebben leerkracht en leerlingen gezamenlijk (en in kleine groepjes) aan onderzoeksprojecten gewerkt.

Walsweer heeft zich daarbij vooral gericht op de kwaliteit en de ontwikkeling van het taalgebruik in de klas gedurende de interventie. Het is belangrijk om naar taalgebruik te kijken omdat leerlingen kennis opbouwen door middel van taal. Taalgebruik en kennis opdoen kunnen elkaar versterken.

Een belangrijke voorwaarde voor het succesvol veranderen van bestaande werkwijzen in de klas is dat leerkrachten hier zelf bij worden betrokken. Een tweede conclusie is dat tijdens het werken in die nieuwe leeromgeving de kwaliteit van het klassikale taalgebruik (tussen leerkracht en leerlingen) in eerste instantie niet verandert. De leerkracht richt zich eerst op het organiseren van de nieuwe leeromgeving. Pas in het tweede deel van de interventie, nadat de leerkracht aanvullende aanwijzingen heeft ontvangen, stelt de leerkracht andere vragen. Daardoor komen de leerlingen nu veel meer aan het woord en waardoor ze de gelegenheid krijgen om thema's te verkennen en hun kennis te demonstreren. De leerlingen krijgen zo greep op complexe vraagstukken. Een derde conclusie is dat leerlingen (tijdens het samenwerken in kleine groepjes) vooral gesprekken voeren over de voortgang, plannen van activiteiten, taken verdelen en de uitvoering van het project. Er moet daarom in het onderwijs expliciet aandacht worden besteed aan de kwaliteit van interactie tussen leerlingen over inhoudelijke kennis en problemen.

Een opvallende constatering in het onderzoek is dat van huis uit Friestalige leerlingen in hun onderlinge gesprekken wisselen tussen het Fries en Nederlands tijdens de verschillende fasen in het proces van gezamenlijke kennisconstructie markeren. In de eerste fase, waarin de leerlingen ideeën genereren en bestaande kennis uitwisselen, spreken ze Fries. Wanneer de leerlingen een (gezamenlijke) uitkomst of conclusie formuleren switchen ze naar het Nederlands. Ze markeren daarmee de overgang naar het vaststellen van een gezamenlijk ontwikkeld inzicht. Wanneer er dan weer een nieuw punt aan de orde wordt gesteld, of wanneer die nieuwe kennis gezamenlijk bezit is geworden kan er over die kennis weer in het Fries worden gesproken.