Gesprekken over woordenschat en techniek in groep 3-4

6-7-2015

In groep 3/4 leren en automatiseren leerlingen de elementaire leeshandeling, waardoor ze klankzuivere  woorden vlot en accuraat leren decoderen. Ze leren lettercombinaties en klankcombinaties in niet-klankzuivere woorden herkennen. Meestal gebeurt het aanleren van de elementaire leeshandeling in de eerste helft van  groep 3. Niet alle leerlingen komen met dezelfde voorkennis groep 3 binnen en na een paar maanden in groep 3 kunnen de onderlinge verschillen groot zijn. Ook aan het begin van groep 4 loopt het technisch leesniveau uiteen.

De woordenschat van leerlingen wordt door een rijke leeromgeving uitgebreid met alledaagse taal en schooltaal. Leerlingen ontwikkelen een woordenschat om teksten te lezen en om erover te denken en te praten. Die woordenschat ontwikkelen ze voor een deel door het contact met teksten. In groep 3 en 4 gebeurt dat aan de ene kant doordat de leraar teksten met de leerlingen bekijkt, leest en bespreekt, doordat leerlingen door voorlezen in aanraking komen met de taal in boeken en aan de andere kant doordat ze zelf lezen.

In de leesgesprekken kun je letten op wat leerlingen zeggen over:

  • Het woordbegrip – dat wellicht het lezen in de weg staat?
  • Over het woordgebruik in het boek?
  • Iets over technische aspecten van het lezen? (verklanken, dyslexie) 

In Leerstoflijnen Lezen beschreven leest u in paragraaf 3.2.3 meer over het begrijpen en interpreteren van leerlingen in  groep 3-4 (pp. 136-137). 

 

Joop-Houten-Poot

Voorafgaand aan dit fragment heeft de gespreksleider aan Hannah gevraagd of ze alle woorden in het boek Aadje Piraatje wel kan lezen. Dit fragment begint met Hannah die uitlegt dat ze sommige woorden soms te lang vindt en daarmee lastig. "Die ga ik dan in stukken doen" vertelt ze. Ze wil de strategie demonsteren.

 

Ze leest voor "Joop-houten-poot", maar in plaats van haar strategie rond het opdelen van woorden uit te leggen, begint ze te vertellen hoe je kunt achterhalen of je woorden met een –d- of een –t- moet spellen. "Dan moet je altijd, en het is verlangerd, dan moet je altijd, ehm, een woord zoeken en dan ga je die eerst verlangeren, en dan steeds om de beurt". Op de vraag van de gespreksleider hoe ze dat nu met het woord dat ze net voorlas doet, demonstreert Hannah "Joop [ ] Houten [ ] Poot". 

In dit fragment wil Hannah haar strategie met het omgaan met moeilijke lange woorden demonstreren. Ze kiest hiervoor echter weliswaar een lang woord (Joop-houten-poot) maar tegelijkertijd een eigennaam en een woord dat niet ingewikkeld is. Bovendien raakt ze tijdens haar uitleg verstrikt in een andere strategie, een spellingsstrategie. ​

Onderwijsbehoefte

Als gespreksleider kun je tijdens een dergelijk moment de leerling helpen door de twee strategieën uit elkaar te trekken en expliciet te benoemen. Er is een strategie om moeilijke woorden te begrijpen (de losse woorddelen proberen te herkennen) en een strategie om te weten of woorden met een d of een t gespeld moeten worden. Door dit met haar te expliciteren krijgt Hannah inzicht in de verschillende strategieën.

Contactpersoon