Onderzoek naar oorzaken spellingproblemen

1-12-2015

​​​​Assink (1983) onderzocht de problemen die leerlingen uit basis- en voortgezet onderwijs ondervinden bij het spellen van werkwoordsvormen. Uit experimenten concludeerde hij dat de spelfouten vooral vallen in de volgende groepen werkwoorden:

  • werkwoordsvormen die hoorbaar eindigen op -t (bijvoorbeeld gebeurt/d, verandert/d)
  • werkwoordsvormen die hoorbaar eindigen op -de/-te (bijvoorbeeld vergrootte/vergrote, verbrandde/verbrande).

Bij 253 lbo-leerlingen van 16-18 jaar onderzocht hij de oorzaken van deze spellingproblemen. Hij besteedde daarbij aandacht aan het spanningsveld tussen het gebruik van geheugen- en regelstrategieën. Het bleek dat minder ervaren, intuïtieve spellers bij het oplossen van spellingproblemen steun zoeken bij de woordfrequentie (en dus kennelijk geheugenstrategieën toepassen) en maar in beperkte mate afgaan op de zinscontext (en daardoor de regels niet toepassen). Met andere woorden: omdat gebeurd frequenter voorkomt in teksten dan gebeurt, hebben deze spellers de neiging gebeurd te spellen, ook als het gebeurt moet zijn. 

Ook in het onderzoek van Sandra e.a. (2001) staat de spelling van de werkwoordsvormen centraal, en wel in het bijzonder de spelling van de eerste versus de derde persoon o.t.t. van werkwoorden waarvan de stam op een -d eindigt (treed/treedt), en de spelling van de derde persoon enkelvoud o.t.t. versus het voltooid deelwoord van werkwoorden waarvan de stam niet op een -d eindigt (gebeurt/gebeurd). Deze vormen zijn homofoon: ze hebben dezelfde uitspraak, maar worden verschillend gespeld.
De vraag die Sandra e.a. zich stellen is in wezen dezelfde als die Assink zich stelde: maken schrijvers nu fouten in dit type woorden vanwege een zwakke regelbeheersing, of door de aanwezigheid van verwarrende, homofone vormen in het woordgeheugen?
In een experiment gaven zij achttienjarige leerlingen een blad waarin woorden ontbraken.
De leerlingen moesten de proefleider-voorlezer volgen en de ontbrekende woorden meteen opschrijven als ze die hoorden. Die ontbrekende woorden waren niet alleen werkwoordsvormen, maar ook moeilijke weetwoorden (bijvoorbeeld onmiddellijk, weids, parallellogram), zodat de leerlingen zich niet exclusief op de werkwoordsspelling konden richten.

Het foutrisico bleek in de eerste plaats bepaald te worden door de frequentie waarmee elk van beide homofone vormen voorkomt. Het foutrisico is groter voor de vorm die met de laagste frequentie in geschreven teksten voorkomt. Dus bijvoorbeeld voor de eerste persoon als de dt-vorm de frequentste is (word wordt vaker fout gespeld dan wordt, omdat wordt frequenter is) en voor de derde persoon als de d-vorm de frequentste is (gebeurt wordt vaker fout gespeld dan gebeurd, omdat gebeurd het frequentste is). Het feit dat het dominante type spelfout varieert van werkwoord tot werkwoord en daarbij de frequentierelatie tussen de beide homofone vormen weerspiegelt, leidt Sandra e.a. tot de conclusie dat ook de homofone vormen van een werkwoord in het woordgeheugen worden opgeslagen.
In de tweede plaats blijkt: hoe groter de afstand tussen de werkwoordsvorm en het woord dat de uitgang bepaalt (het onderwerp bij vervoegde werkwoorden, het hulpwerkwoord bij voltooide deelwoorden), hoe groter het foutrisico. Het aantal tussenliggende woorden en de aard van die woorden beïnvloeden de kans dat de speller de grammaticale informatie verliest die hij voor het bepalen van de correcte uitgang nodig heeft. Door informatieverlies in het werkgeheugen krijgen andere geheugenprocessen een grotere kans om het grammaticale, regelgeleide spellen te verstoren, namelijk die uit het woordgeheugen, waar de homofone vormen van de werkwoorden zijn opgeslagen. (We zien hier hetzelfde proces optreden als we zagen bij de spellingcontrole van Word in de vorige paragraaf: Dat heb je me belooft wordt als fout herkend; Dat heb je me tien jaar geleden heel plechtig belooft wordt niet herkend; evenzo wordt Ik vindt van wel herkend als fout, maar Ik, in mijn hoedanigheid van werknemer,vindt van wel niet). 

Literatuur

  • Assink, E. (1983), Leerprocessen bij het spellen: aanzet voor de verbetering van de werkwoordsdidactiek (dissertatie RUU), Utrecht.
  • Sandra, D., F. Daems en S. Frisson (2001), Zo helder en toch zoveel fouten! Wat leren we uit psycholinguistisch onderzoek naar werkwoordsvormen bij ervaren spellers? Vonk 30, nr. 3, p. 3-21.