Leerlingprestaties

1-12-2015

​​​​Onderzoek naar prestaties van leerlingen op gebied van spelling

In de PPON-onderzoeken in 1990 en 1997 werd de taalvaardigheid van meer dan vierduizend leerlingen uit groep 8 onderzocht. Naast de hoofdvaardigheden lezen, schrijven, luisteren en spreken werden ook deelvaardigheden bevraagd, waarvan spelling en interpunctie deel uitmaakten. De resultaten op de PPON-toetsen werden gerelateerd aan door deskundige beoordelaars opgestelde normen, die aangaven wat het verwachte niveau en wat het gewenste niveau was. 

De eerste taalpeiling (Zwarts 1990) liet zien dat meer dan 75 % van de leerlingen geen fouten maakte in de spelling van de werkwoordsvormen. Daarentegen maakte meer dan 80 % van de leerlingen een of meer spelfouten in onveranderlijke woorden. Interpunctie vormde voor de leerlingen een heel groot probleem: alleen zeer goede leerlingen wisten een tekst te schrijven waarin hoofdletters, punten en komma's op de juiste plaats stonden. 

De tweede taalpeiling (Sijtstra 1997) liet zien dat een gemiddelde leerling in 100 zinnen 47 interpunctiefouten maakte op de zinsgrenzen en 26 binnen de zin. 76 % van de leerlingen maakte geen fouten in de werkwoordsspelling, 81 % maakte geen fouten in de spelling van verbuigingen.
De deskundige beoordelaars uit deze twee PPON-onderzoeken beoordeelden het niveau van de leerlingen voor wat betreft spelling gemiddeld als voldoende. Dit gold niet voor interpunctie. 

Specifiek over de taalkwaliteit van het schrijfwerk van leerlingen in de derde taalpeiling
(halverwege en aan het eind van het basisonderwijs) rapporteerde Van de Gein (2005). Haar openingszin laat aan duidelijkheid niet veel te wensen over: "In deze balans is te lezen hoe scholieren in Nederland zich in 1999 na acht jaar basisonderwijs schriftelijk uitdrukten. Niet best. Werk zonder grammaticafouten, zonder spelfouten en zonder interpunctiefouten is een zeldzaamheid."
83 % van de teksten van leerlingen aan het eind van de reguliere basisschool bevat spelfouten: 51 % daarvan bevat er een tot drie, 14 % vier of vijf, en 18% zes of meer. Slechts 17 % van de teksten is vrij van spelfouten. Gemiddeld maakten de achtstegroepers spelfouten in 3 % van alle woorden die ze geschreven hadden. "Wie dat weinig vindt," aldus Van de Gein,"dient er rekening mee te houden dat teksten, ook die van de hand van negen- tot dertienjarigen, niet uitsluitend bestaan uit woorden met een spellingmoeilijkheid. Het is waarschijnlijk zelfs niet te gewaagd om te stellen dat een aanzienlijk deel van de woorden in een tekst gewoon géén spellingprobleem vormt." Daar staat tegenover dat ook overduidelijke verschrijvingen meetelden als spelfout, zoals: "Hij had geen licht op zijn fiet.” 43 % van de spelfouten van achtstegroepers wordt veroorzaakt doordat gelijkluidende klanken op twee manieren gespeld kunnen worden (blouwe in plaats van blauwe, klijn in plaats van klein ), door uitspraak (bodum in plaats van bodem), en door de regels voor verdubbeling en verenkeling (verstopen in plaats van verstoppen, loopen in plaats van lopen). 33 % van de spelfouten zijn ‘aaneenschrijffouten’: leerlingen schrijven woorden als twee woorden wanneer ze als één geschreven moeten worden (pop muziek), of als één woord wanneer ze als twee geschreven moeten worden (bijelkaar). De hoeveelheid fouten tegen de werkwoordsspelling valt mee, gezien hun slechte reputatie, stelt Van de Gein: 7 % van alle spelfouten. Maar de aard van de fouten laat zien dat de makers ervan geen enkel inzicht hebben in de regels van de werkwoordsspelling, getuige fouten als:  gebeurdt, verscheurdt, vondt, haald, snuffeld. Curieus is ook dat leerlingen aan het einde van de basisschool het er op het gebied van de werkwoordsspelling minder goed vanaf brengen dan leerlingen halverwege de basisschool...
67 % van de teksten van leerlingen aan het eind van de reguliere basisschool bevat interpunctiefouten; slechts 19 % is vrij van interpunctiefouten. 15 % is niet classificeerbaar, voor een deel omdat er in dat werk helemaal geen geïnterpungeerde eenheden te vinden zijn. In 40 % van de teksten van de achtstegroepers is de geïnterpungeerde eenheid niet een zin maar een heel tekstfragment, in 5 % zelfs de hele tekst. (Geïnterpungeerde eenheid wil zeggen: hoofdletter aan het begin, punt aan het einde). 30 % van de teksten bevat één of meer fouten die te maken hebben met het niet plaatsen van hoofdletters, 25 % bevat één of meer fouten die te maken hebben met het niet plaatsen van punt, vraag- of uitroepteken. Van de Gein stelt naar aanleiding hiervan: "Dat een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt, eventueel met een vraagteken of een uitroepteken, mag dan een bekende taalregel zijn die al vroeg ingeprent wordt, het is, naar nu blijkt, maar de vraag of die bekendheid en die inprenting wel het beoogde effect sorteren. Op grond van de eenheden die veel leerlingen, ook die aan het einde van de basisschool, van leestekens voorzien, kan immers zonder overdrijving geconcludeerd worden dat zij niet het flauwste idee hebben van wat voor eenheid de zin nu eigenlijk is." 

Wat beheersen leerlingen nu feitelijk aan het einde van de onderbouw van het voortgezet onderwijs?
Ook in het voortgezet onderwijs zijn in de jaren tachtig PPON-onderzoeken of vergelijkbare peilingen uitgevoerd. En ook hier werden de prestaties gerelateerd aan van tevoren opgestelde normen van deskundige beoordelaars, die het verwachte en het gewenste niveau aangaven. 

In het project Functionele taalvaardigheid (Blok 1987) werd het peil van de functionele taalvaardigheid van 400 leerlingen uit 4 lbo en 4 mavo onderzocht, waarbij ook spelling en interpunctie werden bevraagd. De spellingprestaties van de leerlingen bleken veel beter te zijn dan verwacht en zelfs dan gewenst. Gemiddeld schreven de leerlingen iets meer dan drie op de honderd woorden fout. Het panel van deskundigen voorspelde zes maal zoveel spelfouten, en nam er drie maal zoveel als norm.
Blok verklaart deze misschattingen met de veronderstelling dat veel panelleden zich niet hebben gerealiseerd dat teksten heel veel woorden bevatten die zelden of nooit fout gespeld worden.
De interpunctievaardigheid van de leerlingen bleek beter dan voorspeld, maar iets slechter dan gewenst. 

De Glopper (1988) verrichtte een qua opzet overeenkomstig peilingsonderzoek in het kader van het project IAE Written Composition Study, onder 1200 leerlingen uit het derde leerjaar van alle schooltypen van het voortgezet onderwijs. Met betrekking tot spelling en interpunctie rapporteerde hij de volgende cijfers: 10 % van de leerlingen was in staat een tekstfragment van 100 woorden te schrijven zonder spelfouten; 50-60 % maakte hierin een à twee spelfouten. Interpunctiefouten kwamen iets vaker voor. Naar de normen van de deskundigen gemeten zakte 29 % van de leerlingen voor spelling en 36 % voor interpunctie. 

Kuhlemeier en Van den Bergh (1989) voerden een proefpeilingsonderzoek Nederlands uit onder 1450 leerlingen, evenals bij De Glopper uit het derde leerjaar van alle schooltypen van het voortgezet onderwijs. Zij rapporteerden met betrekking tot spelling en interpunctie het volgende:

  • In alle vier de afgenomen schrijftaken worden weinig spelfouten gemaakt, ook niet op het gebied van de werkwoordsspelling. In de taak Sollicitatiebrief schrijven bijvoorbeeld maken de leerlingen gemiddeld viereneenhalve spelfout per 100 zelf gekozen woorden. Een minderheid van de leerlingen is verantwoordelijk voor een grote hoeveelheid fouten.
  • Het aantal interpunctiefouten is schrikbarend hoog: tussen de 80 en 97 per 100 zinnen. Een leerling die in iedere zin een interpunctiefout maakt, is geen uitzondering. 

Literatuur

  • Blok, H. (1987), Taal voor alledag. Feiten en meningen over het taalgebruik van lbo- en mavo-leerlingen in alledaagse situaties. (diss. UvA), SVO, Den Haag.
  • Gein J. van de (2004), Over de zinsgrens. De relatie tussen zinsbouwonderwijs en leren interpungeren. Moer nr. 2, p. 49-58.
  • Gein, J. van de (2005), Balans van taalkwaliteit in schrijfwerk in het primair onderwijs. Uitkomsten van de peilingen in 1999. Citogroep, Arnhem.
  • Glopper, K. de (1988), Schrijven beschreven. Inhoud, opbrengsten en achtergronden van het schrijfonderwijs in de eerste vier leerjaren van het voortgezet onderwijs. (diss. UvA), SVO, Den Haag.
  • Kuhlemeijer, H. en H. van den Bergh (1989), De proefpeiling Nederlands. Een onderzoek naar de haalbaarheid van peilingsonderzoek in het voortgezet onderwijs. Specialistisch bulletin 74, Cito, Arnhem.
  • Sijtstra, J. (Ed.)(1997), Balans van het taalonderwijs aan het einde van de basisschool 2. Uitkomsten van de tweede taalpeiling einde basisonderwijs. CITO / PPON, Arnhem.
  • Zwarts, M.(Ed.) (1990), Balans van het taalonderwijs aan het einde van de basisschool. Uitkomsten van de eerste taalpeiling einde basisonderwijs. CITO / PPON, Arnhem.