Woordenlijst maken

24-9-2015

​​​A. Werken aan een woordenlijst

Opdracht 1 – LEKKER LEZEN!

  • Blader de krant door, bepaal zelf wat je wilt gaan lezen.
  • Ga lekker lezen.
  • Onderstreep (moeilijke) woorden waarvan je de betekenis niet weet. 

Opdracht  2

Kies twee ‘moeilijke’ woorden ‘waar je wel iets in ziet’. Deze woorden ga je opnemen in je eigen ‘woordenlijst’: een lijst met moeilijke woorden met hun betekenis.

Daarbij werk je op de volgende manier:

  • Maak bij deze woorden een brainstormweb.
  • Kijk daarbij ook naar de zin waar het woord in staat en de tekst eromheen.
  • Verzin nu zelf een voorlopige betekenis van het woord (een definitie). Je mag hierbij het woordenboek nog niet gebruiken.
  • Zoek vervolgens de omschrijving in het woordenboek op en vul zo nodig je eigen omschrijving aan. 

Opdracht 3

  • Noteer (minimaal vijf) woorden die je niet kent en die je in je woordenlijst wilt opnemen.
  • Noteer bij deze woorden de betekenis.
  • Probeer daarbij eerst zelf de betekenis te bepalen door gebruik te maken van de tekst waarin het woord staat en door eigen associaties.
  • Verbeter zo nodig je eigen omschrijving met behulp van de omschrijving uit het woordenboek.
  • Uiteindelijk moet je een lijst krijgen van minimaal dertig woorden. 

Opdracht 4A

Aan deze opdracht werk je met z’n tweeën.

  • Zoek een medeleerling met wie je woorden gaat uitwisselen.
  • Ruil de woordenlijsten.
  • Selecteer minimaal vijf woorden van je partner die je gaat opnemen in je eigen lijst. Noteer de woorden en de omschrijvingen. 

Opdracht 4B

Samen hebben jullie nu 10 dezelfde woorden in jullie woordenlijsten. Met deze 10 woorden gaan jullie een oefening moeilijke woorden maken. Werk daarbij op de volgende manier:

  • Bekijk eerst een oefening met moeilijke woorden in je boek (Op niveau plus, blz. 130, opdracht 13).
  • Noteer nu de tien moeilijke woorden op een blaadje.
  • Met zeven van de tien woorden gaan jullie een zin maken. Selecteer nu eerst de 7 woorden waarmee jullie zinnen gaan maken.
  • Maak nu zeven zinnen. Let op: de betekenis van het woord moet blijken uit de zin.  

Voorbeeld:

  1. Pionier: iemand die als eerste een gebied verkent en daarbij moeilijkheden tegenkomt
    De eerste bewoners van Leidse Rijn waren echte pioniers want er was nog geen school, geen winkel en geen dokter in de nieuwe woonwijk.
  2. Accuraat: precies, nauwkeurig
    Als je bij de bibliotheek wilt werken moet je accuraat zijn want de boeken moeten altijd op de goede plek teruggezet worden.
     
     

Opdracht 4C

Nu werken jullie deze oefening uit voor twee medeleerlingen:

  • Noteer eerst de tien woorden.
  • Noteer er onder jullie zeven zinnen. Laat het moeilijke woord steeds weg en geef met puntjes de plek aan waar het moeilijke woord moet worden ingevuld.
  • Noteer op de achterzijde van het blad de antwoorden.  

Opdracht 4D

  • Zoek nu een ander duo met wie je de oefeningen gaat uitwisselen.
  • Ga in groepjes van vier zitten en wissel de oefeningen uit.
  • Maak met z’n tweeën de oefening die je gekregen hebt. Kijk niet naar de antwoorden op de achterkant! 

Opdracht 4E

  • Nadat iedereen klaar is, wissel je de gemaakte oefeningen weer uit.
  • Kijk vervolgens voor elkaar de oefeningen na.
  • Wissel de gecorrigeerde oefeningen uit en bespreek met elkaar de fouten.
  • Fouten kunnen veroorzaakt worden door de makers van de oefening: de zinnen passen niet goed genoeg bij het moeilijke woord. Fouten kunnen ook veroorzaakt worden door degenen die ingevuld hebben: zij kenden de betekenis van het woord niet. Analyseer met z’n vieren de gemaakte fouten.  

Opdracht 5A

De onderstaande zinnen zijn gemaakt door leerlingen. Lees ze en maak de opdracht:

  • Plaats bij de zinnen die je geslaagd vindt een uitroepteken (!)
  • Plaats bij de zinnen die je niet geslaagd vindt een vraagteken (?)
  • Plaats bij de zinnen die je niet geslaagd en niet mislukt vindt een v-teken (v)  

Het lawaai van onze buren was echt exorbitant.

  1. Hercules bleek toch enige debiliteit te hebben.
  2. Dit culinaire meesterstuk smaakte echt verrukkelijk.
  3. Een acht is een goede recensie.
  4. Het curriculum van speelgoed duurt meestal zeer lang.
  5. De oerknal veroorzaakte een expansie.
  6. Het is niet eerlijk hem te confronteren met iemand die hoge cijfers heeft behaald.
  7. Hij imponeert haar, omdat hij zo goed kan zingen.
  8. Versus mij zit een raar iemand.
  9. Hij moest een keuze maken tussen belangrijke zaken, het is een dilemma. 

Opdracht 5B

  • Bespreek je antwoorden met een medeleerling.
  • Selecteer samen minimaal twee zinnen waarvan jullie denken dat ze niet kloppen.

Opdracht 6

Ga Googlen!
Uiteindelijk moet je bij alle woorden uit je lijst ook een correcte zin opnemen waarin het woord correct is gebruikt. Je gaat op zoek naar zulke zinnen. Dat doe je door gebruik te maken van de zoekmachine ‘Google’. Je tikt je moeilijke woord in en drukt op ‘zoek’. Vervolgens geeft Google je allerlei zinnen / websites etc. waarin het gezochte woord voorkomt. Jij kiest nu één (begrijpelijke!) zin uit en neemt die op. 

Opdracht 7 

​Maak met behulp van je woordenlijst minimaal twee van de volgende vragen:

  1. Noteer uit je woordenlijst twee woorden en schrijf vervolgens de woorden op die het tegenovergestelde betekenen. 
    Voorbeeld: pessimist / optimist
  2. Noteer twee woorden die beginnen met een voorvoegsel en noteer bij die woorden (minimaal) twee woorden die met hetzelfde voorvoegsel beginnen.
  3. Voorbeeld: prepareren / preventief / president
    Noteer twee woorden die eindigen met een achtervoegsel en noteer bij die woorden (minimaal) twee andere woorden die met hetzelfde achtervoegsel eindigen.
  4. Voorbeeld: coalitie / politie / petitie
    Noteer twee zelfstandige naamwoorden en geef bij die woorden de bijvoeglijke naamwoorden die ervan zijn afgeleid.

Voorbeeld: interactie / interactief