Doelen

27-8-2015

​​​​​​​​​​​​​​​​Kerndoelen 

Van de tien kerndoelen N​​ederlands voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs gaan de volgende over lezen:
  • Kerndoel 3​De leerling leert strategieën te gebruiken voor het uitbreiden van zijn woordenschat.
  • Kerndoel 4De leerling leert strategieën te gebruiken bij het verwerven van informatie uit gesproken en geschreven teksten.
  • Kerndoel 5De leerling leert in schriftelijke en digitale bronnen informatie te zoeken, deze informatie te ordenen en te beoordelen.
  • Kerndoel 8De leerling leert verhalen, gedichten en informatieve teksten te lezen, die aan zijn belangstelling tegemoet komen en zijn belevingswereld uitbreiden.
  • Kerndoel 9De leerling leert taalactiviteiten (spreken, luisteren, schrijven en lezen) planmatig voor te bereiden en uit te voeren.
  • Kerndoel 10​De leerling leert te reflecteren op de manier waarop hij zijn taalactiviteiten uitvoert en leert op grond daarvan en van reacties van anderen conclusies te trekken voor het uitvoeren van nieuwe taalactiviteiten.  

Suggesties voor meer uitgewerkte doelen
De kerndoelen zijn slechts richtinggevend. Scholen en uitgevers werken ze uit en bepalen welk niveau leerlingen aan het eind van de onderbouw moeten hebben. Effectief leesonderwijs is gebaat bij duidelijke en specifieke doelen.


Kerndoel 3:De leerling leert strategieën te gebruiken voor het uitbreiden van zijn woordenschat.
  • De leerling kan de betekenis achterhalen van een moeilijk woord of begrip in teksten die geschikt zijn voor zijn leeftijd,
    - door de context van de tekst te gebruiken, 
    - door de vorm van het woord en de betekenis van delen van het woord te gebruiken, 
    - door de betekenis op te zoeken of te vragen.
  • De leerling houdt een eigen woordenlijst bij van veelvoorkomende woorden die hij moeilijk vindt. 
Terug omhoog...


Kerndoel 4: De leerling leert strategieën te gebruiken bij het verwerven van informatie uit gesproken en geschreven teksten.
  • De leerling kan informatie uit teksten toepassen in een nieuwe context.
  • De leerling kan in teksten onderwerp, deelonderwerpen, voorbeelden, feiten, meningen, argumenten, oorzaken, gevolgen, middelen, doelen en conclusies aanwijzen.
  • De leerling kan in teksten de samenhang tussen tekstdelen benoemen.
  • De leerling kan een (schematische) samenvatting van een tekst maken waarin duidelijk wordt wat onderwerp en hoofdgedachte van de tekst zijn en met welke belangrijke voorbeelden en argumenten die hoofdgedachte wordt ondersteund.
  • De leerling kent de schrijversdoelen informeren, betogen en amuseren en kan bij een gelezen tekst aangeven welk(e) van deze doelen de schrijver nastreeft en waar dat uit blijkt. 


Kerndoel 5: De leerling leert in schriftelijke en digitale bronnen informatie te zoeken, deze informatie te ordenen en te beoordelen.
  • De leerling kent de ordeningsprincipes van een bibliotheek en van (nog in gebruik zijnde) schriftelijke gidsen als gouden gids, spoorboekje, atlasregister.
  • De leerling kan op efficiënte wijze bruikbare informatie vinden op internet.
  • De leerling kan betrouwbare websites (en andere informatiebronnen) van onbetrouwbare onderscheiden. 


​​Kerndoel 8: De leerling leert verhalen, gedichten en informatieve teksten te lezen, die aan zijn belangstelling tegemoet komen en zijn belevingswereld uitbreiden.
  • De leerling ontwikkelt een leesgeweten: hij weet waarom het belangrijk is om goed te kunnen lezen en heeft de wil om te begrijpen wat er in een tekst staat.
  • De leerling kent de tekstsoorten informatieve brief/notitie, (reclame)folder/brochure/affiche, schoolboektekst, (reis-, werk-, vergader- of onderzoeks)verslag, nieuwsbericht, opiniërende tekst, interview, column, verhaal, roman, gedicht, dagboek/weblog en kan de belangrijkste kenmerken ervan noemen (ook met het oog op het zelf schrijven van dit soort teksten).
  • De leerling heeft ten minste tien (vmbo-t), vijftien (havo) of twintig (vwo) boeken gelezen - (jeugd)romans en/of non-fictie - en hierbij verwerkingsopdrachten gemaakt.
  • De leerling heeft gedichten gelezen van ten minste vijf (vmbo-t), tien (havo) of vijftien (vwo) verschillende dichters en hierbij verwerkingsopdrachten gemaakt.
  • De leerling kent enkele Nederlandse dagbladen (in vmbo-t: regionale kranten en gratis kranten, in havo en vwo: de landelijke kranten), begrijpt artikelen in deze kranten over onderwerpen die zijn belangstelling hebben en kan daar verwerkingsopdrachten bij maken.
  • De leerling kent enkele informatieve tijdschriften of websites over bijvoorbeeld sport, hobby, natuur, muziek, milieu, actualiteit, begrijpt de artikelen hierin die zijn belangstelling hebben en kan verwerkingsopdrachten bij die artikelen maken.
  • De leerling kan uitleggen over welke onderwerpen hij graag leest en welke tekstsoorten zijn voorkeur hebben.
  • De leerling heeft kennis genomen van het niveau van de teksten die gebruikt worden bij zijn vakken in de bovenbouw. 


Kerndoel 9: De leerling leert taalactiviteiten (spreken, luisteren, schrijven en lezen) planmatig voor te bereiden en uit te voeren.
  • De leerling weet dat hij lange en moeilijke teksten bij alle schoolvakken indien nodigplanmatig kan benaderen, door:
    -  vooraf vast te stellen wat zijn leesdoel of de leesopdracht is,
    - vooraf te verkennen wat onderwerp en hoofdgedachte van de tekst kunnen zijn, wat hij als lezer al weet over dit onderwerp, wat hij als lezer zou willen weten over dit onderwerp, wat het doel en het belang van de schrijver zijn,
    - tijdens het lezen rekening te houden met het leesdoel en de manier van lezen bij te stellen,
    - na afloop na te gaan of het leesdoel bereikt is.  


Kerndoel 10: De leerling leert te reflecteren op de manier waarop hij zijn taalactiviteiten uitvoert en leert op grond daarvan en van reacties van anderen conclusies te trekken voor het uitvoeren van nieuwe taalactiviteiten.​
  • De leerling ontwikkelt een leesbewustzijn: hij kan bij het lezen van een tekst aangeven welke tekstgedeelten hij moeilijk vindt en waardoor dat komt en kan maatregelen nemen op woord-, zins- en tekstniveau om de hele tekst te begrijpen.
  • De leerling weet welke leesvaardigheid en leeshouding van hem verwacht worden aan het einde van de onderbouw en kan aangeven in hoeverre hij die doelen bereikt heeft.  ​​
Terug omhoog...